Eten & Drinken
Slapen
Varen
Doen
Uit
Informatie

Nationaal Park Weerribben Wieden

Het natuurgebied rond Giethoorn draagt van oudsher de naam: ‘de Wieden’ en maakt deel uit van het grootste laagveenmoeras van West-Europa. Samen met het aangrenzende natuurgebied ‘de Weerribben’ vormt het gebied het nationaal park ‘Weerribben-Wieden’.

Het natuurgebied leent zich uitermate om wilde dieren en met name (water)vogels te spotten. Vanuit een fluisterboot, de uitkijktoren in het natuurgebied, of in de eendenkooi. Vogelaars kunnen in de omgeving van Giethoorn hun hart ophalen.

VERVENINIG

‘De Wieden’ ligt tussen twee stuwwallen. Het Hoge Land van Vollenhove en de stuwwal bij Steenwijk. In het gebied stroomden vele rivier en de bodem was erg drassig. Daar waar het stormende water tot stilstand kwam, ontstonden rietvelden met veel grote zeggen en veenmos. Deze planten zijn voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de vorming van laagveen in De Wieden.

Bij de ontginningen van veengronden in de 11e tot de 13e eeuw was het in eerste instantie niet om turf te doen. Toentertijd werden gebieden systematisch ontbost, ontwaterd en in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw. Deze vorm van vervening is niet de meest bekende van Giethoorn en haar omgeving, maar toch is ze van zeer groot belang geweest voor de naamgeving van het dorp Giethoorn.

Toen werd ontdekt dat turf een zeer bruikbare brandstof was voor onder andere ovens, brouwerijen, kokerijen e.d. werd het een gewild product.

Na het introduceren van de baggerbeugel werd na 1530 ook het veen dat door zijn lage ligging niet ontwaterd kon worden, tot ver onder de waterspiegel gedolven. Dit werd slagturven, veentrekken of veenkloppen genoemd. Als gevolg ervan ontstonden twee tot drie meter diepe trekgaten. Het opgebaggerde veen werd te drogen gelegd en in turven gesneden op daarvoor bedoelde legakkers of ribben; smalle langwerpige stroken land die niet werden ontveend. Als de turven door en door gedroogd waren werden ze vervoerd naar stad of dorp om als brandstof te dienen. De plassen (wieden) in de Wieden zijn voornamelijk door deze vorm van turfwinning ontstaan.

DIEREN & PLANTEN

In ‘De Wieden’ vinden verschillende zeldzame diersoorten een thuis. Een voorbeeld hiervan is de otter; een bijzonder waterdier dat met behulp van een uniek project in 2004 een thuis heeft gevonden in onze omgeving. Ook de zeldzame zwarte stern is hier te vinden. In het gebied zijn natuurlijk ook verschillende (water)vogels te vinden zoals de aalscholver, zilverreigers, ooievaars, eenden, de fuut en nog veel meer.

Het hooiland in de natuurgebieden wordt elk jaar door natuurmonementen gemaaid. Hierdoor zijn deze hooilanden elk jaar weer begroeid met diverse prachte bloemen als de dotter-, koekoeksbloem, ratelaar en orchideeën. Deze bloemen trekken op hun beurt weer insecten aan, zoals de zeldzame grote vuurvlinder en zilveren maan.

Een groot deel van het riet wordt in de winter geoogst door rietsnijders. Een deel blijf echter staan als schuil- en nestgelgenheid voor de in riet huizende vogels. Direct na de winter is het uitzicht in de natuurgebieden dan ook spectaculair te noemen. Er is bestaat dan de mogelijkheid dat u voorbijtrekkend wild ziet, zoals vossen en reeën.

Natuurmonumenten maakt regelmatig nieuw open water in De Wieden, zoals vroeger de verveners deden. Hierdoor begint het zogenaamde verlandingsproces opnieuw. Er ontstaat dan weer vegetatie met krabbenscheer, riet en lisdodde. In sommige gevallen ontstaat het zeldzame trilveen. De Wieden is één van de laatste West-Europese natuurgebieden waar je dit ‘drijvende land’ tegenkomt.

EENDEKOOI

Er zijn in en om Giethoorn nog een aantal eendenkooien te vinden. De Drostekooi en de Otterskooi bij Dwarsgracht. De kooien worden nog enkel gebruikt om excursies te geven en om vogels te ringen.

Wat is een eendekooi ?

Een eendenkooi is een afgegraven (of natuurlijke) plas met sloten die naar alle windrichtingen uitlopen. Wanneer de kooiker aankomt in de kooi zal hij voer strooien in de vangpijp die ‘tegenwinds’ is. Eenden hebben namelijk de voorkeur om tegen de wind in weg te vliegen. De kolk en de vangpijpen genoemd, zijn rondom afgeschermd met riet of rietschermen. De vangschermen in Smit’s Kooi zijn trapsgewijs opgesteld.

Makke eenden en staleenden.

De makke eenden die in de kooi leven kennen de kooiker en weten dat ze iedere dag, meestal rond dezelfde tijd, voedsel krijgen en dragen door hun aanwezigheid bij aan een ‘veilig gevoel’. De staleenden zijn wilde eenden die de eendenkooi uitgezocht hebben als dagverblijfplaats om te slapen, te baden en de veren te poetsen.
‘s Nachts trekken de staleenden erop uit en verkennen de landerijen rondom de eendenkooi. In de ochtend keren zij terug naar de kooi en nemen ze wilde eenden mee.

Kooikerhondje

Het kooikerhondje heeft een belangrijke rol bij de vangst van eenden. Op aanwijzing van de kooiker zal het rond de rietschermen gaan lopen. Dit zorgt er voor, dat hij zo af en toe zichtbaar is voor de eenden. Zij worden hierdoor nieuwsgierig naar het hondje en de wapperende pluimstaart van de kooikerhond. De wilde eenden zullen de makke
eenden volgen die achter het hondje aan zwemmen. Het hondje vervolg dit spel scherm na scherm en lokt zo de eenden steeds dieper de vangpijp in.
Als de eenden ver genoeg de pijp in zijn gelokt, zal de kooiker aan de buitenkant van deze pijp weer naar binnen lopen en zich aan de eenden tonen. De wilde eenden zullen instinctief willen vluchten en gaan nog verder de pijp in. Door het aan het eind gespannen gaas lijkt de vrijheid daar te lonken, maar de wilde eenden zullen tegen het gaas aan vliegen, op de grond vallen en de vangbak in lopen. Daar worden ze door de kooiker gevangen en gaan dan letterlijk en figuurlijk “de pijp uit” of worden geringd en weer losgelaten.